De rechtstreekse vordering van de onderaannemer op grond van artikel 1798 BW: niet altijd een zekerheid voor de onderaannemer.

De rechtstreekse vordering van de onderaannemer op grond van artikel 1798 BW: niet altijd een zekerheid voor de onderaannemer.

De rechtstreekse vordering die artikel 1798 BW aan de onderaannemer verleent, heeft – zoals gekend – een onvolmaakt karakter. Dit betekent dat dit eigen recht van de onderaannemer pas effectief tot stand komt op het tijdstip dat de vordering wordt ingesteld.

Het onderpand van de rechtstreekse vordering, dit is de vordering van de aannemer op de opdrachtgever, dient beschikbaar te zijn in het vermogen van de opdrachtgever op het ogenblik dat de rechtstreekse vordering wordt uitgeoefend. Indien deze vordering niet beschikbaar is, mag de opdrachtgever niets ondernemen waardoor de schuldvordering zou worden uitgedoofd.

De rechtstreekse vordering kan bijgevolg niet ingesteld worden ingeval van faillissement van de aannemer (of andere gevallen van samenloop). Ook wanneer een andere schuldeiser van de aannemer voorafgaand bewarend derdenbeslag heeft gelegd in handen van de opdrachtgever zal de onderaannemer zich niet meer kunnen beroepen op artikel 1798 BW. Eén en ander is vaststaande cassatierechtspraak (zie o.m. Cass. 20 januari 2012, T. Aann. 2012, 49).

Het voorgaande impliceert dat artikel 1798 BW de onderaannemer soms onvoldoende bescherming biedt. De onderaannemer kan pas gebruik maken van zijn rechtstreeks vorderingsrecht wanneer de hoofdaannemer niet betaalt, wat een teken kan zijn van insolvabiliteit van de hoofdaannemer. Die kan voordien reeds geleid hebben tot voorafgaande bewarende derdenbeslagen of gevallen van samenloop.

Daarnaast zal de rechtstreekse vordering ook ter zijde moeten worden gesteld wanneer de schuldvordering van de aannemer op de opdrachtgever door de aannemer in pand werd gegeven tot zekerheid van een schuld die hij bijvoorbeeld bij zijn kredietverstrekker heeft uitstaan. De Rechtbank van Koophandel te Tongeren vonniste op 24 september 2013 (TBBR 2015, 40) nog dat het rangconflict tussen de rechtstreekse vordering van de onderaannemer en het pandrecht van een kredietverstrekker in het voordeel van de pandhouder dient beslecht, althans indien het pand aan de opdrachtgever ter kennis werd gebracht voordat de rechtstreekse vordering werd uitgeoefend. Ook in deze situatie zal de onderaannemer zich bijgevolg niet op de rechtstreekse vordering kunnen beroepen.

Uit hetgeen voorafgaat, volgt dus dat artikel 1798 BW niet altijd een zekerheid verleent aan de onderaannemer.  

De onderaannemer is evenwel niet helemaal zonder bescherming. 

Naast de rechtstreekse vordering op grond van artikel 1798 BW, beschikt een onderaannemer die onroerende werken uitvoert immers ook over het zgn. voorrecht van de onbetaalde onderaannemer en dit “gedurende vijf jaar vanaf de datum van de factuur” (artikel 20, 12° Hyp.W.). 

Dit voorrecht kent bij de afwikkeling van een samenloopsituatie in het vermogen van de hoofdaannemer een bevoorrechte positie toe aan de onderaannemer. Bovendien oordeelde het Hof van Cassatie op 25 maart 2005 (RW 2005-06, 62) dat het voorrecht van de onderaannemer daarbij wel primeert op het pandrecht in tegenstelling tot de rechtstreekse vordering.

Belangrijk is wel dat dit voorrecht enkel geldt voor onderaannemers die onroerende werken hebben uitgevoerd en bovendien beperkt blijft tot het vermogen van de hoofdaannemer zodat er dus – in tegenstelling tot de rechtstreekse vordering - niet in hoofde van de opdrachtgever kan worden uitgewonnen.

Voor meer informatie over dit specifieke onderwerp, kan u Maarten Somers (de auteur) raadplegen.

De Burburestraat, 6-8 bus 5 2000 Antwerpen   t. +32 3 260 98 60   f. +32 3 260 98 61   info@schoups.be   www.schoups.be