Raad van State stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie inzake “proactieve planologie” voor Antwerpse havenontwikkeling

Raad van State stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie inzake “proactieve planologie” voor Antwerpse havenontwikkeling

In twee arresten van 13 juli 2015 heeft de Raad van State prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie over de verenigbaarheid van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) “Afbakening zeehavengebied Antwerpen” (arresten nr. 231.933 en nr. 231.934) met de Europese Habitatrichtlijn.

Dat GRUP voorziet in de uitbreiding van de haven van Antwerpen op de linkeroever van de Schelde, onder meer in gebieden die vallen onder het strikte beschermingsregime van de “habitattoets” in de Habitatrichtlijn (de zogenaamde “speciale beschermingszones”).

In december 2013 schorste de Raad van State reeds een vorige versie van het GRUP omdat het daarin voorziene pakket aan natuurmaatregelen, meer bepaald de ontwikkeling van “robuuste natuur” in zogenaamde “natuurkerngebieden”, op het eerste gezicht niet volstond. De maatregelen konden volgens de Raad prima facie niet vermijden dat de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszones in het plangebied op een betekenisvolle wijze zouden worden aangetast. Uit de  stedenbouwkundige  voorschriften  van  het  GRUP bleek bovendien niet dat de realisatie van de natuurkerngebieden in  het  noordelijk  deel  van  de  linkerscheldeoever  noodzakelijk  aan de havenontwikkeling moest voorafgaan. (arrest nr. 225.676).

De huidige versie van het GRUP tracht aan dit arrest van de Raad van State tegemoet te komen door in zijn stedenbouwkundige voorschriften te voorzien in een welbepaald faseringsmechanisme. Meer specifiek zou de eigenlijke stedenbouwkundige ontwikkeling van het havengebied pas kunnen plaatsvinden na de inrichting van duurzaam leefgebied over het volledig “natuurkerngebied”, zoals dit nodig is voor de instandhouding van de betrokken speciale beschermingszone.

De Raad van State heeft aan het Hof van Justitie de vraag voorgelegd hoe deze techniek zich verhoudt tot de “habitattoets” in de Habitatrichtlijn. Meer bepaald stelt zich de vraag of de betreffende voorschriften vallen onder het derde lid (nl. het bepalen van de mogelijke significante gevolgen op een speciale beschermingszone) , dan wel vierde lid van de “habitattoets” in artikel 6 van de Habitatrichtlijn (nl. of deze voorschriften moeten beschouwd worden als “compenserende maatregelen”, mits aan de strikte voorwaarden in dit artikel voldaan wordt). Het antwoord van het Hof van Justitie zal van groot belang zijn voor het resultaat in deze zaak, nu het in de praktijk vaak erg moeilijk blijkt om te voldoen aan de strikte voorwaarden van artikel 6,4e lid van de Habitatrichtlijn.

Voor meer info over dit specifieke onderwerp, kan u Kristof Hectors en Barbara Bastiaensen (auteurs) raadplegen.

De Burburestraat, 6-8 bus 5 2000 Antwerpen   t. +32 3 260 98 60   f. +32 3 260 98 61   info@schoups.be   www.schoups.be