Verval verzekeringsdekking: Cassatie handhaaft rechtspraak

Verval verzekeringsdekking: Cassatie handhaaft rechtspraak

Het Hof van Cassatie heeft in twee recente arresten nogmaals haar vaststaande rechtspraak bevestigd m.b.t. het verval van verzekeringsdekking.

Vele verzekeringspolissen voorzien algemene uitsluitingen voor schade veroorzaakt door tekortkomingen aan wetten, regels of gebruiken indien deze schade hierdoor min of meer voorzienbaar was.

Er kan slechts een verval van verzekeringsdekking zijn indien dit verval in de polis bedongen is voor de niet-nakoming van duidelijk in deze polis opgenomen verplichtingen, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen deze niet-nakoming en het schadegeval (art. 65 Verzekeringswet, art. 11 WLVO).

In de arresten van 5 februari 2016 en 11 februari 2016 heeft het Hof van Cassatie herhaald dat hiervan niet kan worden afgeweken. Artikel 65 van de Verzekeringswet is immers van dwingend recht, zoals alle bepalingen van het deel van de Verzekeringswet m.b.t. de landverzekeringsovereenkomst (tenzij uit de bewoordingen blijkt dat de partijen ervan mogen afwijken, art. 56 Verzekeringswet, art. 3 WLVO).

De rechter ten gronde dient na te gaan of een clausule van de polis die op een andere manier verwoord wordt, bv. als uitsluiting, geen vervalbeding is. Een beding dat toelaat dat de verzekeraar zijn dekking kan weigeren wegens de niet-nakoming door de verzekerde van zijn contractuele verplichtingen, wordt hierbij als een vervalbeding beschouwd in de zin van art. 65 van de Verzekeringswet.

De rechter dient ook te onderzoeken of deze niet-nakoming door de verzekerde van zijn contractuele verplichtingen, in oorzakelijk verband staat met de verwezenlijking van het schadegeval. De bewijslast hiervan ligt bij de verzekeraar.

Het Hof sluit hierdoor aan bij haar eerdere uitspraken over het verval van dekking. Zo oordeelde het Hof recent nog in een arrest van 10 maart 2015 dat een uitsluiting voor "schade veroorzaakt door grove schuld m.n.: - elke tekortkoming aan wetten, regels of gebruiken die de activiteiten van de verzekerde onderneming reglementeren en waarbij voor iedere met de materie vertrouwde persoon duidelijk moest zijn dat hieruit haast onvermijdelijk schade moest ontstaan" zelfs onder de voorwaarde dat "de verzekeringnemer, zijn organen of leidinggevende aangestelden op de hoogte waren en niet het nodige hebben gedaan om aan de situatie te verhelpen", ongeoorloofd is. Het hof van beroep dat oordeelde dat door de verwijzing naar "elke" tekortkoming aan wetten, regels of reglementen, de grove schuld voldoende nauwkeurig omschreven was, verantwoordde haar beslissing niet naar recht.

Eerder oordeelde het Hof in een arrest van 4 december 2013 dat de uitsluiting voor de schade "veroorzaakt door het ontbreken of weghalen van wettelijke veiligheidsuitrusting", een te algemeen karakter heeft bij gebreke aan een definitie van het begrip veiligheidsuitrusting, waardoor het geen uitwerking kan hebben.

Ook de plicht van de rechter ten gronde om na te gaan of een clausule van de polis die op een andere manier wordt verwoord, geen vervalbeding is, aangezien de betrokken bepalingen van (toen nog) de Wet op de Landverzekeringsovereenkomst van dwingend recht zijn, werd recent nog gesteld in een cassatiearrest van 20 september 2012.

Voor meer informatie over dit specifieke onderwerp, kunt u Pim van den Bos (auteur) of Siegfried Busscher (auteur en celhoofd) raadplegen.